|
Grenzen aan propaganda Trouw, juni 2007 In Nederland bestaan formele arrangementen die de ruimte voor de overheid om pr te bedrijven aan banden leggen. Die pr wordt ondertussen wel flink opgevoerd, getuige de 100 dagen-presentatie van het kabinet. Dit leidt onderhand tot een onmogelijke situatie. Hoe komen we daaruit? "Deze Kamer is voor het grootste deel stil - onheilspellend, vreselijk stil." Met dit beklag van een senator opent Al Gore zijn zojuist verschenen boek The assault on reason. De Senaat is stil, volgens Gore, omdat wat de senatoren daar te berde brengen er niet meer toe doet. In de media - daar moet je zijn om de politieke strijd te beslechten. Democracy gone wrong, vindt Gore. Politiek moet niet in de media worden bedreven, maar in de Kamer op basis van kille rede, solide feiten en zonder emotionele appèls en leuke plannetjes die het goed doen op tv. Wie met deze gedachte in het achterhoofd het kabinet de afgelopen 'honderd dagen' heeft gevolgd, zal zich toch even achter de oren moeten krabben. Voorafgaand aan de lancering was sprake van een constante stroom mediamomenten rondom plannen die werden gelekt, nog voordat een debat in het parlement plaats had kunnen vinden Het kabinetsprogramma stond zodoende alsmaar in de schijnwerpers, met als klapstuk de presentatie in het Catshuis de vorige week. Deze pr-eruptie staat niet op zich. De afgelopen jaren is de overheidscommmunicatie geprofessionaliseerd. De persafdelingen van ministeries zijn dag en nacht bereikbaar om mee te kunnen draaien in de 24 uurs-nieuwsvoorziening. De wekelijkse persconferenties van de premier zijn in eigen hand genomen en worden geschikt gemaakt voor tv-uitzending. Bewindslieden lanceren hun plannen niet meer voor een grijze achterwand, maar kiezen voor een decor dat het goed doet op tv. Ze zijn bovendien hun optredens gaan coördineren om elkaar niet in de wielen te rijden bij de lancering van nieuwe ideeën in de media. En dit is nog maar een greep uit het arsenaal pr-initiatieven in Den Haag. Deze ontwikkelingen zijn enerzijds begrijpelijk: de overheid moet concurreren met een enorme informatiestroom die op mensen afkomt. Professionalisering is noodzakelijk, wil de boodschap überhaupt kunnen doordringen. Anderzijds verhouden deze ontwikkelingen zich moeizaam tot de uitgangspunten waar de overheidscommunicatie op gestoeld is. Die zijn er namelijk op gericht zijn om de publieke sfeer - de ruimte voor burgers om een mening te vormen - juist te vrijwaren van politieke pr door de machtige overheid. De burger heeft bijvoorbeeld recht op overheidsinformatie die 'feitelijk juist' en 'integer' is, aldus de commissie-Wallage die hier in 2001 over adviseerde. Op basis van deze informatie moeten mensen immers hun afwegingen over het bestuur maken. En er zijn bijvoorbeeld richtlijnen waarin staat dat overheidsinformatie 'inhoudelijk voldoende en juiste gegevens' moet bevatten, dat er geen 'propagandistische lading' mag worden meegegeven aan voorlichtingsboodschappen en dat overredingskracht alleen geoorloofd is in bepaalde afgebakende campagnes (zoals tegen roken of overgewicht) of bij inspraakprocedures om de participatie van burgers te bevorderen. Dit leidt tot een onmogelijke situatie. We hebben formele arrangementen die de ruimte voor de overheid om pr te bedrijven aan banden leggen, terwijl we die pr ondertussen flink aan het opvoeren zijn, met de 100 dagen-presentatie van het kabinet als voorlopig hoogtepunt. Willen we hieruit komen, dan kunnen we drie richtingen inslaan. De eerste is radicaal. Wie constateert dat er nieuwe pr-trends zich voordoen, moet daaruit de consequenties trekken en de regels grondig aanpassen. Door bijvoorbeeld te bepalen dat de Rijksvoorlichtingsdienst belastinggeld mag uitgeven aan campagne-uitingen voor kabinetsplannen die nog niet door het parlement zijn besproken - dat gebeurt immers toch al. En door er tegelijkertijd voor te zorgen dat ook de oppositiepartijen daarvoor meer armslag krijgen, door bijvoorbeeld toe te staan dat politieke partijen hogere donaties mogen ontvangen. We kunnen echter ook bij het oude stelsel blijven - de tweede optie - door het systeem van politiek neutrale informatieverstrekking te handhaven en de richtlijnen voor overheidscommunicatie intact te laten. Dat betekent wel dat we de pr-strategie van dit kabinet tegen het licht moeten houden, want die staat duidelijk op gespannen voet met de huidige uitgangspunten. Dan is er nog de redelijke middenweg: het scheppen van ruimte binnen het huidige stelsel voor pr-trends die we billijk vinden. Uitgangspunt moet daarbij altijd transparantie zijn: de verplichting voor de overheid om openbaar te maken op welke manier ze pr-middelen inzet. Hoe wordt de centrale regie gevoerd? Is die wel voldoende politiek neutraal? Hoe gaat de overheid om met beeldregie? Wanneer worden focusgroepen (gericht publieksonderzoek) gebruikt? En waarvoor? Als op deze en andere vragen een helder antwoord komt, is er wellicht helemaal niet zoveel mis met een aantal nieuwe ontwikkelingen. Maar nu gebeurt er van alles achter de schermen en wordt er geen enkel debat over gevoerd. Het is nu stil - onheilspellend, vreselijk stil. Sanderijn Cels en Joan Arensman, auteurs van het boek
'Dat hoort u mij niet zeggen' |