|
Niet in de Kamer, wel bij Knevel Hoe krijg je zestien ministers en elf staatssecretarissen in één talkshow? Dat moet vanavond blijken, wanneer het hele kabinet-Balkenende te gast is bij de EO-presentatoren Knevel en Van den Brink. De ministers en staatssecretarissen doen daar verslag van hun honderd dagen tour. Ze verschijnen dus eerst in de pers en dan pas in het parlement. Daarmee volgen ze één van de vele pr-trends uit de Verenigde Staten. Welke trends zijn dat? En: wat staat ons nog meer te wachten als die trends doorzetten? DE EERSTE ZIJN Door zelf het spits af te bijten, kunnen bewindspersonen het debat over hun plannen bovendien een gunstige draai geven. Ze bepalen niet alleen over welke aspecten wel en niet gesproken wordt, maar koppelen aan hun plannen ook meteen de waarden die zij belangrijk vinden. Zo kan een minister zeggen dat 'het actieplan voor probleemwijken in essentie gaat over het behoud van solidariteit'. Wie het wijkenplan vervolgens bekritiseert, kan er makkelijk van worden beschuldigd die solidariteit te ondermijnen. En wie wil dat nou aangewreven krijgen? HET LAND IN De townhall meetings in de VS laten óók het risico zien dat bewindspersonen zo lopen. Toen Bill Clinton zijn meetings na de verkiezingen voortzette, begon het publiek te vragen waarom hij dit of dat nog niet had geregeld. Clintons adviseurs pasten het format aan: de president ging zelf vragen stellen aan het publiek. Maar ook dat mislukte. President Bush leerde van die ervaring. Hij hield alleen in verkiezingstijd townhall meetings, die strak werden geregisseerd. Zorgvuldig geselecteerde deelnemers moesten hun vraag soms wel vier of vijf keer oefenen. Bewindspersonen gaan dus bij voorkeur het land in vóórdat ze in het zadel zitten - of anders vlak daarna, zoals nu het kabinet-Balkenende. De bewindspersoon die er in het laatste jaar van zijn ambtstermijn op uittrekt om te horen wat zijn beleid heeft opgeleverd, is nog niet gesignaleerd. Zou het kabinet het aandurven om in de laatste honderd dagen massaal het land in te trekken? HET JUISTE PLAATJE Soms springt de beeldregie minder in het oog. Bijvoorbeeld in januari van dit jaar, toen Bush aankondigde meer troepen te sturen naar Irak. Hij stond voor een boekenkast en droeg een blauwe stropdas. Boeken worden geassocieerd met wijsheid en geduld, de kleur blauw met rust en vertrouwen. Ook in Nederland neemt de aandacht voor beeld toe. Een goed voorbeeld was de presentatie van de plannen van het vorige kabinet, op Prinsjesdag 2006. De slogan Nederland werkt was overal in verwerkt: in de troonrede, maar ook in de persconferenties van de minister-president en de minister van Financiën. Balkenende gaf zijn persconferentie staande voor een wand waarop de slogan maar liefst negen keer stond afgebeeld. DE JUISTE WOORDEN De regering-Bush heeft ervoor gekozen beproefde succeswoorden eindeloos te herhalen. War on terror en we will prevail zijn de bekendste voorbeelden. Ook de kabinetten-Balkenende hanteren deze methode, zij het wat spaarzamer. Het vorige kabinet-Balkenende maakte veelvuldig gebruik van het woord term 'verantwoordelijkheid'. Het nieuwe kabinet zet in op 'samen'. De sterkere regie van woordgebruik vraagt ook om het vermíjden van woorden. Bush' Republikeinse Partij heeft een lijst van verboden woorden, die enkele jaren geleden uitlekte. Er staat onder meer het woord outsourcen op. De partij gunt bedrijven graag de mogelijkheid banen te verplaatsen naar lagelonenlanden, maar weet uit onderzoek dat het publiek dat woord associeert met het vernietigen van banen in eigen land. Daarom is het woord vervangen door 'het recht van bedrijven om de beste werknemers in dienst te mogen nemen'. Het woord privatisering is taboe als het om publieke voorzieningen als gezondheidszorg en sociale zekerheid gaat. Privatisering klinkt te commercieel: het publiek associeert het met topsalarissen en lease-auto's. De Republikeinen kozen voor 'personalisering'. De kabinetten-Balkenende hebben het over 'keuzevrijheid in de zorg'. CENTRALE REGIE In Nederland komt de kabinetsbrede stroomlijning moeizamer op gang. De afdelingen voorlichting van de ministeries zijn graag zelf verantwoordelijk voor organisatie en inhoud van hun communicatie. In de praktijk gaan ze veelal hun eigen gang. Ook ministers en staatssecretarissen neigen ernaar zich afzonderlijk van elkaar te profileren. Dat Balkenende die houding wil doorbreken, blijkt wel uit de benoeming van Jack de Vries. De voormalige spindocter van het CDA is nu in dienst bij het ministerie van Algemene Zaken. Het is De Vries' taak de 'honderd dagen voorstellen' van de departementen op elkaar af te stemmen. Zijn dit soort trends een logisch gevolg van de professionalisering van de overheidscommunicatie? Of is de machtsbalans tussen regering en parlement in het geding? Krijgt het kabinet, door met belastinggeld dit soort nieuwe pr-strategieën te financieren, een dominante machtspositie in het publieke debat? Vanavond komt het weerwoord uitsluitend van twee EO-presentatoren. En niet van de 150 leden van de Tweede Kamer. Sanderijn Cels en Joan Arensman schreven Dat hoort u mij niet zeggen, een boek over 'hoe politici u de werkelijkheid voorspiegelen'. Uitgeverij Bert Bakker (2007). NRC Next, maandag 21 mei |